zondag 4 oktober 2009

Charles Darwin: man van tegenstellingen

De conflicten die zich rondom Darwin voltrokken, kwamen ook in zijn persoonlijkheid terug. Hij was een complexe man, die op een aantal gebieden een moderne man van de wereld leek, maar de Victoriaanse waarden, die hun stempel drukten op het Engeland van toen, waren toch diep in hem verankerd.

Zeer ambitieus en conflictvermijdend: Darwin sprong uit zijn vel toen Wallace een evolutieleer bleek te hebben die precies op zijn eigen theorie leek. Maar hij kwam niet makkeelijk voor zichzelf op, dat liet hij aan zijn vrienden over. Zonder met Wallace te overleggen regelde hij dat hun theorieen tegelijkertijd uitkwamen. Ook als hij op tegenstand stuitte, leunde hij op zijn netwerk. Zijn vriend Huxley bijvoorbeeld, die bekend stond als ' Darwin's bulldog', kwam met een keiharde aanval op anatoom Richard Owen, die een kritische recensie had geschreven over On the origin of Species, en zooloog ST; Georges Mivart, die wees op de zwakke punten in Darwins erfelijkheidsleer.

Tegen de slavernij en conservatief: Net zoals zijn grootvader en vader was Charles Darwin tegen de slavernij: dit bleek ook bij een accident op de Beagle. Diverse slaven vertelden de kapitein, Fitzroy, tevreden te zijn onder hun juk. Darwin kon het echter niet geloven, omdat ze dit zeiden onder het oog van hun heer. Een laaiende Fitzroy weigerde met iemand te eten dia aan zijn woorden twijfelde. Maar de dag erna trok hij bij. Wat de verhouding tussen man en vrouw betreft was Darwin niet veel anders dan de meeste mensen-mannen-althans in zijn tijd. De man stond intellectueel en fysiek boven de vrouw vanwege de uitdagingen waar hij ooit mee te maken had als jager/ leider.

Man van de wereld en huismus: Tijdens zijn reizen in Chili en Argentinie maakte Darwin vaak gevaarlijke tochten, te voet of te paard. Hij bewonderde de trotse Guacho's, hoewel hij zich realiseerde dat ze je keel wel konden doorsnijden als de gelegenheid zich voordeed. Toen hij weer op Engelse bodem kwam, verliet hij zijn vaderland nooit meer. Het buitenleven bleef beperkt tot ritjes op zijn paard Tommy en dagelijkse wandelingen over een paadje vlak bij huis, The Sandwalk. Deze ommekeer was vast te wijten aan Darwins raadselachtige ziekte, die hem vele jaren plaagde.

zaterdag 3 oktober 2009

Charles Darwin gebukt onder twijfel 4

Ook had hij de schedels en gezouten huiden liggen voor studies naar dierenteelt, en hij teelde alle duivenrassen die hij te pakken kreeg. In zijn ordelijke studeerkamer schreef hij vele artikelen en boeken, waaronder een aantal wetenschappelijke en literaire klassiekers. Hier leerde hij ook de kneepjes van het wetenschappelijke werk kennen toe hij aan de slag ging met rankpotigen, een groep kreeftachtigen die zo afwijken dat ze lange tijd voor weekdieren werden aanzien. In acht jaren van hard werken bracht hij de toenmalige kennis en zijn eigen waarnemingen bijeen in twee, moeilijke ontoegangkelijke werken. Hij beschouwde zijn werk als zijn wetenschappelijke proefstuk. Nu zou niemand hem meer als charlatan afdoen. De experimenten kosten zoveel tijd dat de kinderen het werk met de microscoop en loep bijna opvatten als een normaal onderdeel van het gezinsleven, en zijn zoon Leonard vroeg een vriendje ooit waar zijn vader aan de rankpotigen zat te werken.

Darwin was een huismus, die zo teruggetrokken leefde dat hij werd omschreven als een kluizenaar. Maar in Downe was hij niet zo op zichzelf, met veel mensen had hij dagelijks contact. Zijn hele leven schreef hij brieven naar allerlei mensen op allerlei plekken, soms met de raarste vragen. In één jaar kon hij meer dan 500 brieven schrijven. In intellectueel opzicht was hij ook niet van de buitenwerteld afgesloten. Zijn vrienden kwamen vaak bij Darwin langs. Jonge wetenschappers als T.H. Huxley en Joseph Dalton Hooker waren samen met coryfeeen als Charles Lyell de spreekbuis van Darwin in Londen, Oxford en Cambridge, en in Boston zat Asa Gray als een vooruitgeschoven post in de VS. Darwin raadpleegde hen vaak als hij op te veel weerstand stuitte of als hij behoefte had aan nieuwe bondgenoten. Darwin's wens was begraven worden in Downe. Maar zijn kist werd naar Londen gebracht, waar hij tot nu toe in Westminster Abbey naast Isaac Newton ligt. De man die de natuurgeschiedenis bevrijdde van de voorzienigheid en religieuze filosofie, is begraven met kerkelijke pracht en praal. Zijn laatste rustplaats bevindt zich niet naast zijn geliefde Emma, maar naast een van de grote namen van de wetenschap. Darwin zou best trots geweest zijn, maar was een bescheiden wetenschapper. ' Ik ben niet zo snel van begrip of ad rem als sommige intelligente mannen. 'Mijn vermogen om een lange, abstracte gedachtegang te volgen is zeer beperkt', desalniettemin: ' Ik denk dat ik beter dan de meeste mensen ben in het waarnemen en zorgvuldig bestuderen van dingen die makkelijk aan de aandacht ontsnappen'. Niets was meer waar dan dat. Darwin had de levende natuur zo lang en grondig bestudeerd dat hij ontdekte dat er geen schepper aan te pas hoefde te komen- de natuur kon het prima alleen aan.

vrijdag 2 oktober 2009

charles Darwin: gebukt onder twijfel 3

S' avonds in Down House speelde Emma piano of ze las voor, en Darwin zelf hield zorgvuldig bij wie de twee partijtjes backgammon won die ze elke avond speelden. De twee waren aan elkaar verknocht, en het deed Darwin dan ook pijn dat Emma zoveel zorgen had over zijn wankele geloof. Zij moeten dingen hebben opgepikt die niet strookte met haar vroomheid, want ze las vaak zijn manuscripten door en luisterde naar zijn wetenschappelijke uiteenzettingen. In zijn autobiografie, die Darwin op 67-jarige leeftijd schreef, deed hij verslag van zijn lange weg: van jonge gelovige via twijfelaar tot agnost, die geen religie meer erkende als de absolute waarheid en die niet dacht dat er een God was, maar wel besefte dat hij die niet wetenschappelijk kon onderbouwen. De autobiografie was bedoeld voor zijn naaste familie, maar is vijf jaar na zijn dood gepubliceerd; zonder zijn ideeen over religie, die Emma had geschrapt. Emma zou ook de rol van verpleegster op zich nemen. Sinds zijn toekomst was Darwin aan het kwakkelen, en soms kon hij lange tijd niet werken- de ziekte ' maakte het leven tot een last en legt het werk stil'. Buikpijn en misselijkheid waren aan de orde van de dag, en in het slechtste geval kon hij op alleen op de bank liggen en voor zich uit kijken. Op een goede dag kon hij zich er wel toe zetten om s' morgens en s' middags een paar uurtjes te werken. De nuchtere Darwin, die een hartsgrondige hekel had aan kwakzalvers, zocht zijn heil bij kuuroorden, waar hij de vreselijkste waterkuren met koude kompressen, warmtebehandelingen met spirituslampen en strenge dieten te verduren kreeg. Tijdens een van zijn verblijven leerde hij biljarten van een groep Amerikaanse patienten. Hij liet thuis in Downe een biljarttafel neerzetten en werd al snel een niet onverdienstelijke speler. Tijdens kuren maakte hij ook wandelingen, en bij zijn thuis liet hij een pad aanleggen, The Sandwalk, waar hij vaak liep en over zijn wetenschappelijke vraagstukken nadacht. Hoe moeilijker ze waren, des te meer rondjes hij liep. Bij het kruispunt stapelde hij wat stenen op, en elke keer als hij langskwam sloeg hij de bovenste steen er met zijn stok af. Zo merkte hij dat ingewikkeld kwestie vaak ' driestenenproblemen' waren.

Een diagnose werd nooit gesteld. De symptomen varieerden van duizeligheid, ademnood en hartkloppingen tot angstaanvallen, uitslag en een opgeblazen gevoel. Op een klein toiletje in een hoek van zijn werkkamer in Down House kon hij zich tijdens een aanval terugtrekken. Geschiedkundigen en artsen hebben later wel geprobeerd de ziekte te benoemen. Ze dachten aan de ziekte van Chagas, veroorzaakt door een eencellige parasiet die onder meer door teken wordt overgebracht en veel voorkomt in onhergbergzame delen van Zuid- Amerika. Maar het kan ook psychomatisch zijn geweest; de kwaal was het ergst bij spanningen en tegenslag.

Darwin gebruikte zijn aanvallen als excuus om zich te onttrekken aan reizen en drukke bijeenkomsten; ironisch genoeg brachten de kwalen die hem het werken beletten, ook de afzondering en rust die hij nodig had. Door een slechte gezondheid, schreef hij, ' ontsnap ik aan verstrooiing en vertier', en zo had hij tijd om zijn levenswerk te voltooien. Hij had dan ook genoeg te doen. Zijn huis was één groot laboratorium, waar hij proeven deed met de bestuiving en beweging van planten, en zijn zoon Francis speelde fagot voor regenwormen om te zien of ze konden horen. Er stonden potten met plantenzaadjes op zout water om hun overlevingskansen te testen.

Charles Darwin: gebukt onder twijfel 2

In Cambridge zaten een paar van de knapste koppen van de natuurwetenschap. Darwin bezocht lezingen en avondbijeenkomsten van botanicus John Stevens Henslow. Henslow opende Darwin de ogen voor de natuurgeschiedenis en later droeg hij Darwin voor als kandidaat op de Beagle, toen hij zelf moest afzien van de wereldreis. Darwin werd Henslows oogappel en hij volgde hem overal, zodat hij de bijnaam kreeg ' de man die achter Henslow loopt'. Henslow bracht Darwin in contact met de geoloog Adam Sedgwick, die hem op studiereis meenam naar het noorden van Wales, waar Charles allerlei technieken van het geologisch veldwerk leerde. Tijdens de studie werd er ook onderwezen uit de werken van de theoloog en filosoof William Paley. Deze stelde dat de wereld perfect en harmonieus in elkaar zat. Alle soorten hadden van God een plek in de natuur gekregen als radertjes in een klok. Het was dan ook ondenkbaar dat ze zouden veranderen. Dan zou het samenspel tussen de soorten het begeven als een kapot uurwerk. Deze filosofie was een directe aanval op de evolutiegedachte, maar Paley's ideeen vatten wel post bij Darwin, al druisten ze recht in tegen de theorie die hij zelf zou ontwikkelen.

Ondanks de feestjes en jachtpartijen moet er nog tijd zijn over geweest om te studeren, want bij het examen in januari 1839 werd Darwin nummer 10 van de 178. Vooral in theologie blonk hij uit. Later in zijn leven, toen hij zijn geloof geheel had afgezworen, moest hij lachen om een Duits artikel waarin een frenoloog, iemand die de verstandelijke vermogens meent af te kunnen lezen aan de schedelvorm, erop wees dat Darwin ' een knobbel met vroomheid voor wel 10 priesters' had. Na zijn studie kon hij priester worden, maar zoals bekend leg er een wereldreis in het verschiet. Na zijn reis werd Darwin al snel opgenomen in de wetenschappelijke kringen van Cambridge en Londen. Door zijn boeken over de natuurhistorische verzamelingen en waarnemingen tijdens de reis kreeg hij de reputatie van een grondige, schrandere wetenschapper- met de nodige inkomsten. Hij liet de beste mensen binnen het vak zijn collecties bestuderen en heild een reeks lezingen over zijn ontdekkingen. In 1839 mocht hij toetreden tot de Royal Society, een van s'werelds meest prestigieuze academies van wetenschappen, en daarnaast kwam zijn reisverslag uit. The voyage of the Beagle, waarmee hij ook buiten de wetenschap beroemd werd. Hij genoot van het Londense sociale leven en ontmoette een aantal beroemdheden in de club van zijn broer Erasmus, maar hij begon naar een partner te verlangen. Hij had zijn twijfels over het huwelijk, en stelde een lijstje op met voor en tegens. Aan de ene kant was een vrouw een 'maatje en vriendin voor het leven', 'beter dan een hond', en nodig om kinderen te krijgen. Aan de andere kant zou er dan minder geld zijn voor boeken, en als vrijgezel had hij tijd om met intelligente mannen in de club te praten en hoefde hij niet steeds op familiebezoek. Darwin koos voor een gezin en zijn oog viel op zijn nicht Emma Wedgwood, die hij al bijna zijn hele leven kende. Zijn vader waarschuwde dat hij de diepgelovige Emma niets over zijn wankele geloof moest vertellen, maar hij kon het niet voor zich houden. En al maakte hij zich zorgen om zijn zielenheil, Emma gaf hem het ja-woord in 1839. Wellicht had hij zijn maatje net op tijd gevonden. Het leven in Londen was te hectisch geworden voor de steeds schuwere en kwakkelende Darwin. Na een aantal incidenten verhuisde het gezin, nu met twee kleine kinderen, in 1842 naar een groot huis op het platteland bij het dorp Downe ten zuiden van Londen. Het gezin en het afgelegen Downe huis werden voor Darwin een schuilplek en een veilige thuishaven.

Samen voedden Emma en Charles een grote kinderschare op, en hun brieven aan elkaar getuigen van een warme band vol gelegenheid.

Charles Darwin: gebukt onder twijfel

De jonge Darwin leek het zwarte schaap van de familie te zijn, en zijn vader snauwde hem ooit toe: ' je bent alleen maar geintresserd in jagen, honden en ratten vangen, je zult jezelf en heel je familie te schande maken'. Het zwarte schaap werd echter de meest beroemde Darwin ooit. Hij had anders voorbeelden gnoeg, Charles werd op 12 februari 1809 geboren als vijfde van zes telgen in Shrewbury, West England. Zijn vader, Robert Waring Darwin, een geliefd arts die respect en vertrouwen afdwong, had zijn vermogen verstandig geinvesteerd. Hij was een welgestelde brombeer die zijn mening niet onder stoelen of banken stak, maar Charles dacht later aan hem terug als een van de vriendelijkste mensen die hij had gekend. Met zijn 1,90 meter was hij een reus van een man, en toen de weegschaal meer dan 150 kilo aanwees, hiel hij op met zich te wegen. Hij stond erop dat de koetsier de vloeren uitprobeerde in de huizen waar hij tijdens zijn reizen overnachtte. Robert's vader, Charles grootvader, was ook een geliefd arts, maar bovendien een bekende wetenschapper, uitvinder, dichter en filosoof. Hij bedacht een evolutietheorie die deed denken aan de ideeen van Lamarck, en was spil van het Maangenootschap ( Lunar Society), dat ook andere beroemdheden telde, zoals James Watt, uitvinder van de stoommachine, en Joseph Priestley, een beroemde scheikundige. Van zijn moeder Susannah herinnerde Charles zich alleen het doodsbed en een zware fluwelen jurk. Zij was zwak vann gestel en stierf toen hij acht was.

Met negen jaar kwam Charles op een kostschool op nog geen twee kilometer van waar hij woonde, en soms ging hij voor bedtijd nog even langs huis. De zeven jaar die hij op die school doorbracht, moest hij vooral dingen uit zijn hoofd leren, waar hij een hartsgrondige hekel aan had. Hij kreeg de Griekse verzen, die een gentleman destijds moest kennen, er gewoon niet voor langere tijd in. Toch hield hij als jongeling van poezie en drama, zoals Shakespeares toneelstukken. Veel later verdween zijn gevoel voor de nuances van de dichtkunst, zelfs van Shakespeare, die hem de keel gingen uithangen. In plaats daarvan geraakte hij verslingerd aan schelmenromans, het liefst met mooie heldinnen. En geen verkeerde afloop: ' daar zou een wettelijk verbod op moeten komen'. In de zomer van 1825 hielp hij zijn vader in diens praktijk, en in oktober begon hij in Edinburgh , op zijn 16 de, aan een studie medicijnen. De universiteit van Edinburgh was een van de beste in Europa, maar het onderwijs was ' onuitstaanbaar en saai', en na het zien van twee bloedige operaties zonder verdoving wist Darwin dat de artsenij niets voor hem was. Hij raakte geboeid door natuuronderzoek. Een zwarte, vrijgekochte slaaf uit Guyana leerde hem vogels opzetten, hij las zijn grootvaders theorie over de ontwikkeling van de soorten en woonde lezeingen bij van anatoom en atheist Robert Edmund Grant. Zo maakte hij kennis met Lamarcks evolutieleer.

Darwin kwam thuis zonder bul, de artsenij zat er niet meer in maar er waren andere mogelijkheden. Hij zou priester kunnen worden, een beroep met een vast inkomen dat niet veel tijd zou kosten. Robert Darwin beschouwde het als een buitenkans; zo zou zijn zoon een fatsoenlijke opleiding krijgen en daarnaast zijn onderzoek kunnen blijven doen. Darwin werd niets gevraagd, en stilletjes vroeg hij zich af of zijn christelijke geloof sterk genoeg was voor het priesterlijke ambt. Het was dan ook geen voorbeeldstudent die zich begin 1828 in Cambridge vestigde. Maar de drie jaar die hij in de universiteitsstad doorbracht, zouden veel meer betekenen voor zijn toekomst dan iemand had kunnen vermoeden. Er bleef genoeg tijd over om te kunnen jagen, honden te trainen en kevers te verzamelen. Hij werd een prima schutter en in zijn studeerkamer oefende hij vaak door kaarsen uit te schieten met losse flodders. Hij werd lid van een vereniging die de tijd doorbracht met drinken, zingen en gokken. Later gaf hij toe dat hij zich zou moeten schamen, maar hij kon alleen maar ' met grote vreugde aan die tijd terugdenken'.

Darwin's voorgangers

Jean Baptiste Lamarck ( 1744-1829): Frans natuurhistoricus

Charles Lyell ( 1797-1875): Engels Geoloog

George Cuvier ( 1769- 1832) : Frans anatoom

Lamarcks idee dat verworven eigenschappen van ouders op kinderen kunnen overgaan, Lyells boek over oneindige geologische processen en Cuviers tests waarin hij fossielen vergelijkt met levende dieren: ze vormden de opmaat tot Darwins evolutietheorie en het idee van natuurlijke selectie als mechanisme achter de orde van de natuur.

donderdag 1 oktober 2009

darwin: alles wat leeft deel 1: een wereld in beweging

De wereld waarin Darwin werd geboren, stond op losse schroeven. De bloei van de natuurwetenschap in de 18 de eeuw had tot nieuwe kennis geleid, die niet samenging met het oude wereldbeeld waarin God zo'n 6000 jaar terug alles schiep wat er op aarde was.

Begin 19 de eeuw deed de wereld ineens groot en overweldigend aan. De aarde was grotendeels in kaart gebracht, en de vreemde schepsels werden uit verre uithoeken meegevoerd. Een paar honderd jaar eerder waren er 6000 plantensoorten beschreven: nu kwamen de gedroogde planten uit Amerika, Afrika en Australie achter elkaar binnen. De tropen gonsden van het leven, in de laden van zoologische musea bleken duizenden vogelsoorten te zitten, en soms dook er een vondst op waarbij mensen hun ogen niet konden geloven. Zoals het Australische vogelbekdier, dat eiren legde en met zijn snavel, zwemvliezen en gifsporen voor nepdier werd gehouden. Natuurhistorici die orde in de chaos probeerden te scheppen, hadden hun handen vol.

Het werd de onderzoekers ook duidelijk dat er soorten waren uitgestorven. De miljoenen fossielen die werden opgegeraven, waren voor een groot deel resten van soorten die er niet langer waren. Voor die tijd was het niet bekend of deze soorten ergens ter wereld nog voortbestonden, maar naarmate er meer van de aarde werd verkend, werd het steeds onwaarschijnlijker dat er bijvoorbeeld ooit nog een levende mammoet zou worden gevonden. Veel van de fossielen werden gevonden bij het karteren van de aardlagen. Aan die aardlagen was te zien dat het dierenleven in de loop van de geschiedenis veranderd was.Ook werd duidelijk dat de aarde veel ouder was dan de circa 6000 jaar waar je met de Bijbelteksten op uitkwam. Hoe oud wist men niet, maar misschien wel honderden miljoenen jaren. De geoloog Charles Lyell bracht in de jaren 1830 een aantal boeken uit over de beginselen van de geologie, die een stempel zouden drukken op Darwins leer. Lyell bestreed het idee dat fossielen en aardlagen sporen vertoonden van bijzondere prehistorische gebeurtenissen zoals een wereldwijde zondvloed die de aarde vernietigd zou hebben. Alles viel vanuit de beginselen te verklaren die je nu nog aan het werk ziet in de natuur. Rotsen verweren door kou, water en wind, en uit de aardkern welt magma op waarna grote gebieden in de as wordt gelegd. De aarde is niet gevormd door rampen: er waren processen aan de gang die de tijd nodig hadden om op aarde in te werken, dan zou de natuur vanzelf de bergketens laten afvlakken en de oceanen laten verdampen.

Toen Charles Darwin in 1809 geboren werd wist men dat de aarde door ontelbare soorten bevolkt werd, heel oud was en dat het leven veranderlijk was; en dus ook dat er vroeger andere planten en dieren waren. De vraag was of er goddelijke orde heerste. De natuur leek netjes in elkaar te zitten met in elk hokje een soort, en misschien zorgde een god er wel voor dat de levensvormen van tijd tot tijd plaatsmaakten voor allerlei nieuwe soorten. Voor sommige onderzoekers was dat echter een vreemde gedachte. Want waarom zou een god zo'n wrede vorm van creativiteit aan de dag leggen? Misschien veranderde de soorten zelf. De theorieen hierover van natuurhistoricus Jean-Baptiste Lamarck werden het beroemdst. Hij verwierp het idee van een voorzienigheid niet helemaal, maar stelde dat een schepper de soorten ooit had gemaakt en dat er misschien nog wel soorten bijkwamen. De bestaande soorten zouden zich dan tot steeds hogere vormen ontwikkelen. Het mechanisme was een soort innerlijke kracht, die naar perfectie streefde. Anatomie en gedrag van vele soorten waren verrassend goed op hun leven afgestemd. Het samengaan van levenswijze en verschijningsvorm werd verklaard met de overerving van verworven eigenschappen. Zo konden zoogdieren in onderaardse gangen hun ogen wel missen, omdat ze die in het donker niet gebruikten. Verworven aanpassingen konden aan het nageslacht worden doorgeven, zoals lange halzen en sterke spieren. Het was alleen nog wel een raadsel hoe die erfelijkheid werkte. Er veranderde wel meer. Na de Franse Revolutie bleek dat de staat geen eeuwigdurend instituut van God was; de onderdrukten konden naar de macht grijpen. De grotere sociale onrust rechtvaardigde de vraag of de samenleving wel op de enige juiste manier was ingericht, of nog verbeterd kon worden. De arbeidersklasse was kennelijk niet bestemd om altijd maar arm te blijven. Wellicht konden mensen zelf hun leven en positie verbeteren. En als nu bleek dat verandering bij planten en dieren in het wild natuurlijk waren, waarom dan niet bij mensen. Er is later vaak beweerd dat de evolutietheorie in de 19 de eeuw gewoon klaar was om ontdekt te worden. En als Darwin het niet had gedaan, dan wel iemand anders. Er waren kandidaten genoeg.

Begin 19 de eeuw waren en meer natuurvorsers in de race om de processen te ontdekken die de boel op zijn kop konden zetten. En sommige kregen hetzelfde idee als Darwin. De Schotse- Amerikaanse arts William Charles Wells publiceerde zijn theorieen over de huidskleur van mensen in 1818. Hij heeft het over een mechanisme dat precies op Darwins natuurlijke selectie lijkt. In 1831 schreef de Schotse fruitteler Patrick Matthew in een boek over bosbouw en scheepshout dat nakomelingen van één ouderpaar zich mettertijd kunnen ontwikkelen tot nieuwe soorten, al naargelang de levensomstandigheden. Deze publicaties waren echter niet erg bekend, en Darwin werkte zijn ideeen los daarvan uit. Toen hij er attent op werd gemaakt, voegde hij een hoofdstuk toe aan nieuwe drukken van On the Origin of Species, waarin hij de geschiedenis van de evolutiegedachte beschreef. Daarin gaf hij openlijk toe dat zijn idee niet erg origineel was, maar al een aantal jaren bestond. Maar anders dan de losse flodders van de twee auteurs, verstopt in boeken met vreemde titels, was Darwins boek een goed onderbouwd en doordacht werk, geschreven met het ene doel om de potentie van de natuurlijke selectie te bewijzen. En hij verenigde de filosofische en sociale stromingen van de 19 de eeuw met kennis van allerlei zaken, van maatschappijleer tot de duiventeelt, om in 1859 een simpele maar sterke theorie te poneren.