Posts tonen met het label Cuvier. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cuvier. Alle posts tonen
woensdag 16 december 2009
zondag 15 november 2009
uitsterven
Het bekken van Parijs, waar Cuvier de geschiedenis van het leven probeerde te ontrafelen, strekt zich uit van Noord-oost Frankrijk langs de kust tot in Nederland. Hier werd in het zoogdiertijdperk ( waarin wij nog steeds leven)een dik pakket sedimeneten afgezet. Uit het feit dat sommige van deze strata fossielen bevatten van mariene soorten en andere van landbewonende organismen leidde Cuvier af dat de Atlantische Oceaan dit gebeid herhaaldelijk heeft overstroomd om zich later weer terug te trekken. Ook in Cuviers tijd begreep men heel goed dat bij het afzetten van sedimeneten de jongste lagen bovenop de oudere terechtkomen. Met deze eenvoudige wet van opeenvolging als uitgangspunt wist hij de geschiedenis van het bekken te reconstrueren door de afwisseling van mariene en terrestische afzettingsintervallen te bestuderen. In zijn Recherches sur les Ossements Fossiles concludeerde Cuvier dat zowel de komst van het zeewater als het weer terugtrekken ervan rampzalig was voor de aanwezige levensvormen: " het leven op aarde is veelvuldig door verschrikkelijke rampen verstoord.Ontelbare organsmen zijn aan dergelijke catastrofen ten offer gevallen. Opdringende wateren hebben de landbewoners verzwolgen;(in andere tijden) heeft het plotseling rijzen van de zeebodem waterdieren op het land achtergelaten. Hun soorten zijn voorgoed verdwenen".
Cuviers reconstructie van wat zich in het bekken van Parijs had afgespeeld was geheel in overeenstemming met het algemene principe van catastrofisme dat het geologisch denken van de achttiende eeuw bepaalde. Volgens deze theorie waren alle geologische verschijnselen het resultaat van geweldige omwentelingen van bovennatuurlijke aard, waarvan de Bijbelse zondvloed de laatste was. Omstreeks 1830 keerde de Engelsman Charles Lyell zich tegen het catastrofisme. Hij zag de wereld als een enorme, natuurlijke machinerie die aan voortdurende, maar evenwichtige verandering onderhevig was: terwijl sommige gebergten langzaam wegsleten, werden andere omhooggestuwd, en terwijl sommige sedimeneten steeds verder verweerden, werden in naburige bekkens nieuwe lagen afgezet. Volgens Lyell was ook het leven gevangen in een dergelijke kringloop zonder vooruitgang. Voortdurend verdwenen er soorten,om plaats te maken voor andere die op hun voorgangers leken. ( Lyell ontweek de vraag naar het ontstaan van soorten: lang nadat Darwin hem met bewijzen voor het bestaan van evolutie had geconfronteerd, bleef hij zich hiertegen verzetten en hield hij krampachtig vast aan het idee dat de grote groepen organismen, zoals de zoogdieren en reptielen, door de geologische geschiedenis heen naast elkaar waren voorgekomen.)Lyell veronderstelde dus dat de geologische geschiedenis het resultaat is van heel gewone aardse processen, die zich geleidelijk in de loop van miljoenen jaren hebben voltrokken. Wat Charles Darwin hieraan nog toevoegde, was niet alleen het bewijs voor de grootscheepse transformatie van levensvormen maar vormde ook een aardse verklaring voor het ontstaan van soorten: door het proces van natuurlijke selectie ontstonden nieuwe soorten uit reeds bestaande.Hoewel hun opvattingen mijlenver uiteenlagen, droeg zowel Cuvier als Lyell bij tot ons huidige beeld van extinctie, al is de algemene opvatting dat Lyell een grotere rol in de geschiedenis van de geologie heeft gespeeld. Inderdaad zijn de geologische verschijnselen grotendeels toe te schrijven aan de alledaagse processen die hij om zich hen aan het werk zag.
Cuviers reconstructie van wat zich in het bekken van Parijs had afgespeeld was geheel in overeenstemming met het algemene principe van catastrofisme dat het geologisch denken van de achttiende eeuw bepaalde. Volgens deze theorie waren alle geologische verschijnselen het resultaat van geweldige omwentelingen van bovennatuurlijke aard, waarvan de Bijbelse zondvloed de laatste was. Omstreeks 1830 keerde de Engelsman Charles Lyell zich tegen het catastrofisme. Hij zag de wereld als een enorme, natuurlijke machinerie die aan voortdurende, maar evenwichtige verandering onderhevig was: terwijl sommige gebergten langzaam wegsleten, werden andere omhooggestuwd, en terwijl sommige sedimeneten steeds verder verweerden, werden in naburige bekkens nieuwe lagen afgezet. Volgens Lyell was ook het leven gevangen in een dergelijke kringloop zonder vooruitgang. Voortdurend verdwenen er soorten,om plaats te maken voor andere die op hun voorgangers leken. ( Lyell ontweek de vraag naar het ontstaan van soorten: lang nadat Darwin hem met bewijzen voor het bestaan van evolutie had geconfronteerd, bleef hij zich hiertegen verzetten en hield hij krampachtig vast aan het idee dat de grote groepen organismen, zoals de zoogdieren en reptielen, door de geologische geschiedenis heen naast elkaar waren voorgekomen.)Lyell veronderstelde dus dat de geologische geschiedenis het resultaat is van heel gewone aardse processen, die zich geleidelijk in de loop van miljoenen jaren hebben voltrokken. Wat Charles Darwin hieraan nog toevoegde, was niet alleen het bewijs voor de grootscheepse transformatie van levensvormen maar vormde ook een aardse verklaring voor het ontstaan van soorten: door het proces van natuurlijke selectie ontstonden nieuwe soorten uit reeds bestaande.Hoewel hun opvattingen mijlenver uiteenlagen, droeg zowel Cuvier als Lyell bij tot ons huidige beeld van extinctie, al is de algemene opvatting dat Lyell een grotere rol in de geschiedenis van de geologie heeft gespeeld. Inderdaad zijn de geologische verschijnselen grotendeels toe te schrijven aan de alledaagse processen die hij om zich hen aan het werk zag.
uitsterven
Het duurde tot 1768 voor de Franse Paleontoloog George Cuvier de realiteit van uitsterven zo duidelijk aantoonde dat bijna iedereen die zich met biologische wetenschappen bezighield overtuigd werd.Eerst vergeleek hij skeletten van de mammoet-die ten tijde van de laatste Ijstijd door Europa zwierf-met die van de huidige Indische en Afrikaanse olifant, en stelde vast dat het dier tot een andere soort behoorde. Vervolgens wees hij erop dat de mammoet zo groot was dat hij in de moderne wereld onmogelijk over het hoofd kon worden gezien. En, zo redeneerde hij verder, als de mammoet uitgestorven as, dan moet dat ook gelden voor veel andere fossiele soorten die onderzoekers van de levende fauna nooit hadden gezien. Niet allen stelde Georges Cuvier onomstotelijk vast dat uitsterven een feit was, maar hij was ook de eerste die zag dat hele levensgemeenschappen van prehistorische planten en dieren gezamelijk waren ondergegaan bij wat wij nu massale extinctie noemen. Cuvier wist alleen niet zeker of de voorbeelden van dit uitsterven, die hij in de sedimentengesteenten van het bekken van Parijs waarnam, werkelijk op wereldschaal hadden plaatsgevonden of dat zij slechts in een beperkt gebied waren opgetreden. Als creationist van de tijd voor Darwin neigde hij tot de opvatting dat de catastrofen plaatselijk waren. De nieuwe levensvormen die de oude opvolgden waren in feite al bij de oorspronkelijke bijbelse schepping ontstaan en migreerden vanuit andere streken naar het verlaten gebied. Ook kenden Cuvier en zijn tijdgenoten de beginselen van stratigrafische geologie: de studie van gesteentelagen of strata. Sedimenten worden laagsgewijs, in strata afgezet omdat ze tot stand komen als gevolg van onderscheiden afzettingsprocessen. Zo zullen bij de kortstondige toevoer van een grote hoeveelheid water, het meegevoerde zand en de modder bezinken wanneer de stroomsnelheid van het water verminderen. In de moderne geologie noemen we de resulterende afzetting een laag als deze meer dan een centimeter dik is, en boven elkaar zijn afgezet, vormen ze samen een laagpakket dat in de loop van de geologische tijd kan verstenen. Dit zigeheten lithificatie-proces, waarbij modder in schalie en zand in zandsteen verandert, komt voornamelijk tot stand door samenpersing of door aaneenklitting tijdens de kristallisatie van mineralen uit een oplossing, of als gevolg van een combinatie van beide processen. Vooral de oceanen vergaren veel materiaal en fungeren als enorme sedimentatiebekkens, maar ook op het land treedt dit proces op in laagliggende gebieden als moerassen, meerbodems en rivierbeddingen. In warme ondiepe zeeen hopen zich grote hoeveelheden kalkachtig materiaal op, dat bij aanspoelen op de kust witte stranden geeft. Voor het grootste gedeelte bestaat dit zand uit stukjes schelp en resten van andre langs organische weg gevormde calciumcarbonaat-skeletjes.In Cuviers dagen wist men ook al ,in grote lijnen hoe het fossilisatieproces verloopt. Fossielen zijn overblijfselen van vroeger leven. Sommige bestaan uit de oorspronkelijke organische structuren-gewoonlijk de meest duurzame onderdelen zoals schelpen, tanden of botten. Andere fossielen zijn niet meer dan afdrukken van zachte weefseldelen, bijvoorbeeld loopsporen en ook de omtrekken van bladeren en van dieren met weke lichamen die op zacht sediment hun laatste rustplaats vonden.
Abonneren op:
Posts (Atom)